Tegen het eind van de maand juli 1809 vertrekken vanuit Engeland meer dan 600 schepen met aan boord zo’n 40000 militairen. Deze expeditie die bekend komt te staan onder de naam “ Grand Expedition “ heeft als eerste belangrijke doel de vesting Vlissingen. Zodra de uitschakeling van Vlissingen is bereikt, kan de Engelse Vloot verder de Schelde opvaren tot Antwerpen en alhier de Franse Vloot te vernietigen.

Deze ‘ Grand Expedition ‘ loopt uit op een verschrikkelijk fiasco. Ondanks dat de vesting  en een deel van Zeeland in handen valt van de Engelsen zal Antwerpen nooit bereikt worden. Naast de slechte uitvoering van het plan kost de Zeeuwse koorts aan vele Engelse krijgslieden het leven.

In het boek “ Letters from Flushing “ zijn brieven van een officier van het 81st regiment gebundeld tot een verhaal.

Zijn eerste brief schrijft hij terwijl hij wacht op het order tot inscheping eind juli. Uiteindelijk zal hij op 8 september van ditzelfde jaar zijn laatste brief naar huis sturen. Twee dagen voor zijn vertrek naar Engeland.

Gedurende deze periode beschrijft hij wat hij meemaakt. Niet alleen wordt de militaire operatie door hem beschreven maar ook hoe hij het eiland Walcheren en zijn bewoners ervaart. Uiteindelijk zal hij vlak voor zijn vertrek nog zijn ongenoegen ventileren over hoe het zo fout heeft kunnen gaan.

In de namiddag van de 28ste juli vaart een deel van de vloot uit onder toeziend oog van landgenoten. Al snel laten ze de kustlijn van Engeland achter zich. Hij troost zich met de gedachten dat de overtocht niet lang kan duren.

Dit blijkt inderdaad zo te zijn. In de ochtend klinkt  “ land in zicht “, en iedereen haast zich aan dek om het te aanschouwen. Voor sommige zeelieden is het een hele opluchting om weer een kustlijn te zien. Vele waren al enkele dagen aan boord.

Naarmate de kust dichterbij komt voegen meerdere schepen zich samen voor de kust van Westkapelle. Niet lang daarna wordt het commando tot landing op de kust bij Breezand gegeven en nog voordat de nacht aanbreekt heeft zijn regiment voet op Walcherse bodem gezet.

Na de inname van Veere en de vrijwel geruisloze overgave van Middelburg trekt de onbekende officier dagelijks richting de vestingwallen van Vlissingen. Hier bekijkt hij de krijgsverrichtingen van de andere regimenten en beschrijft hij zijn observaties.

Het boek “ Letters from Flushing “ geeft een goed beeld van de landing op Walcheren vanuit het oogpunt van deze officier. Hij beschrijft de Walchenaren, het landschap, de strijd, de vernietigingen, de Fransen bezetter, zijn bevelvoerders , alles komt aan bod. Een lezenswaardig werk over de Grand Expedition van de Engelsen.

Het is niet mijn bedoeling om wat deze officier ziet en meemaakt uitgebreid te beschrijven in dit artikel. Zeker niet, ik wil wel een aantal in mijn ogen opvallende stukken eruit lichten.

Zo spreekt hij zijn vermoeden uit dat Vlissingen door zijn lage ligging ‘in this half-drowned island‘ de meest ongezonde plaats van het eiland moet zijn. Van de Middelburgers heeft hij de indruk dat zij met afschuw over Vlissingen praten “ niemand kan in Vlissingen leven, behalve een zeeman “. Wanneer Vlissingen overspoelt wordt door mist vanuit zee hangt er een troosteloosheid over de stad.

Als zijn regiment niet deelneemt aan de strijd heeft hij de tijd om Walcheren te verkennen. Zo heeft hij de indruk dat de leefomstandigheden op Walcheren redelijk gezond te noemen zijn. De inwoners op Walcheren hebben een sterk gestel en een hoge levensverwachting. Natuurlijk is er een uitzondering op het voorgaande: Vlissingen.

In een brief gedateerd 11 augustus 1809 zijn er zorgen over het gebruik van de Congreve raketten. De uitvinder van deze raketten, Kolonel Congreve is op dat moment druk bezig zijn raketten in gereedheid te brengen. De officier is van mening dat het gebruik van dit soort wapentuig niet gemeengoed moeten gaan worden op het slagveld. De verschrikkingen van oorlogvoeren zal alleen maar in wreedheid toenemen.

In dezelfde brief stelt hij dat de Middelburgse kooplieden van een wat meer respectabele karakter zijn dan de Vlissingse. Als je aan een Engelsman zou vragen hoe hij denkt dat Nederlandse kooplieden werken dan komen de Middelburgers hier erg dicht bij in de buurt.

Vlissingers daarin tegen komen er slecht van af. Dit zijn mensen die het allemaal niet zo nauw nemen met de wet. Fortuin maken door smokkelhandel is niet iets wat hij goedkeurt. Vele inwoners van Vlissingen staan zeer laag op zijn morele schaal. Maar stelt hij ; “ but this certainly must not be applied to all “.

Het onvermijdelijk gebeurt op 13 augustus rond de klok van 2 uur. De batterijen gelegen voor het landfront en de voor de zeewering liggende schepen openen het vuur op de stad.

Niets van wat ik tot nu heb gezien kan meer beangstigend zijn dat dit. Het eiland schudt alsof er een aardbeving gaande is…” schrijft hij in een van brieven.

Stenen, balken en houtsplinters vliegen bij een inslag alle kanten op. Wanneer een schoorsteen of een ander hoog gelegen punt wordt geraakt worden deze bijna in zijn geheel over de muren heen geslagen. Het geschut staat zo dichtbij dat ze vuren op volle sterkte.

Vanuit de vesting wordt er nog een dapper poging ondernomen om vanaf de landzijde tegenstand te bieden. Maar al snel blijkt dit zinloos te zijn. De stad staat in brand, huizen storten in en de rook is soms zo dicht dat het Engelse geschut niet kan zien waar naar te vuren en dit dan maar willekeurig doen.

Het Engelse bombardement gaat voor uren door op deze zondag en ondanks een vorm van tegenstand wordt het tegenvuur minder en minder. Waar eerst nog salvo’s worden gegeven komt het nu in de vorm van losse schoten.

.

Aan de zeekant gaat het er niet veel beter aan toe. Op maandagochtend vuren de dicht onder de zeewering liggende schepen op volle sterkte. Al snel wordt ook hier de tegenstand gebroken, en neemt het schieten vanaf de vestingwallen af. Kanonnen raken bij ieder raak schot van de Engelsen steeds meer bedolven onder puin.

De beschieting vanuit zee worden gestaakt op maandagmiddag 14 augustus zodra blijkt dat er niet meer wordt teruggeschoten. Hierop wordt aan de bevelhebber van Vlissingen, Generaal Monnet , voorgesteld om te capituleren.

Op dit verzoek tot overgave komt geen reactie. De Engelsen besluiten het bombardement te hervatten. De beschrijving die de officier geeft is bijna niet te bevatten. Het bombardement is nog heviger dan eerst. Al het geschut wat beschikbaar is vuurt nu met volle kracht. De congreve raketten komen overal in de stad terecht en zaaien dood en verderf.

Grote delen van de stad staan in brand, huizen zijn zo erg beschadigd dat je het interieur kan zien. Bij het sporadisch zwijgen van het geschut hoor je vanuit de stad vrouwen krijsen van doodsangst.

Op dinsdagochtend geeft de bevelhebber van Vlissingen zich over en binnen het uur hebben de Engelsen positie ingenomen bij de stadspoorten.

Nu de stad in handen is van de Engelsen heeft de officier nog wel de hoop dat: “ I hope that Flushing will not be the head-quarters. Middleburg is superior to it, in everything “.

In zijn brieven komt duidelijk naar voren dat hij geen hoge pet op heeft van Vlissingen. Ondanks dit heeft hij wel medelijden met de stad wat door het bombardement vrijwel volledig is verwoest. De schade is groot, het dodental ligt hoog en om nog maar van de vele gewonden te zwijgen.

In zijn latere brieven geeft hij nog beschrijvingen van de verschillende steden en dorpen in Zeeland. Uiteindelijk keert hij weer terug in Middelburg. Hij vergelijkt Middelburg als een miniatuur versie van Amsterdam. Vlissingen stelt hij gelijk aan Rotterdam wat hij overigens een mooie stad vindt. Maar hij bedoelt hier de gebouwen en zeker niet de inwoners.

De officier kan het niet laten nogmaals te melden ; “ Flushing is a town of smugglers and fishermen; in Middleburg the citizens have been smugglers, but have now left off business. “

Bronnen :
GAV : Toegang: 414 Historisch topografische atlas Nummer:1186, 3602,396
Coverfoto : The Naval Miscellany, Volume II: Operations in the Scheldt, 1809. Vol 40 (1910), Professor Sir J.K. Laughton
Tekst : Letters from Flushing : 2009 N&M Press reprint (original pub 1809) .
Ook in het GAV te vinden onder nummer : GAV, Biblnr. 326